< Terug naar vorige pagina

Project

Ernstige leesproblemen bij blinde kinderen. Gelijkenissen met dyslexie?


Anneli Veispak, Perceptual and Cognitive Underpinnings of Braille Reading.</></> </>Verhandeling aangeboden tot het verkrijgen van de graadvan Doctor in de Pedagogische Wetenschappen, 2012. </>
Promotoren: Prof. Dr. Pol Ghesquière, Dr. Bart Boets</>
Lezen is een complexe vaardigheid waarbij geschreven symbolen, of grafemen, omgezet moeten worden in gesproken vormen, of fonemen. Aangezien onze hersenen een evolutie doormaakten om gesproken communicatie te begrijpen, hebben de reeds bestaande neurale circuits voor gesproken taal en objectherkenning zich moetenaanpassen aan de specifieke taakvereisten van lezen. Dientengevolge is leren lezen een minder triviale opdracht dan op het eerste gezicht lijkt. Hoewel de meerderheid van de kinderen vlot en vloeiend leert lezen, heeft 5-10% van de populatie te kampen met een specifiek leesprobleem, i.e. (ontwikkelings)dyslexie. Dit is een neurologische stoornis waarbij de lees- en spellingsvaardigheden niet normaal ontwikkelen, en dit ondanks normale intellectuele vaardigheden, adequaat onderwijs en remediëringsinspanningen. Net zoals bij de ziende populatie</>, </></>ondervindt ook een deel van de blinde kinderen onverklaarbare en onverwachte moeilijkheden bij het verwerven van braille. Weinig studies hebben zich echter gericht op de cognitieve en perceptuele vaardigheden die relevant zijn voor het vloeiend lezen van braille of die aangetast kunnen zijn in geval vanbraille leesproblemen. Gezien de linguistische overeenkomsten tussen geschreven tekst en braille, kunnen onderzoeksbevindingen rond geschreven tekst gebruikt worden als basis voor hypothesetoetsend onderzoek bij braille. Gebaseerd op concepten uit de fonologische deficit theorie en de temporele informatieverwerkingshypothese bij ontwikkelingsdyslexie, werden in ons onderzoek auditieve, spraak- en fonologische informatieverwerkingstaken afgenomen, samen met maten voor tactiele spatiale resolutie, ominzicht te verwerven in de interactie tussen perceptuele en cognitieve processen bij het lezen van braille.</></>
Partcipanten waren blinde braillelezers uit België (n=12), Nederland (n=16), en Estland (n=12). Drieëndertig van hen waren blind sinds hun geboorte, 7 deelnemers hadden hun zicht verloren vóór 10-jarige leeftijd. Eenentwintig deelnemers konden licht waarnemen, 19 hadden geen zicht. Een gematchte controlegroep vanlezers uit de ziende populatie werd samengesteld, gebaseerd op leeftijd, gelacht, nationaliteit, en opleidingsniveau van de blinde proefgroep. Alle particpanten uit de proef- en controlegroep waren normaal begaafd en hadden geen gehoorproblemen, en hadden respectievelijk Nederlands en Ests als moedertaal. Om ontwikkelingspatronen te onderscheiden, werden deNederlandstalige deelnemers verder onderverdeeld volgens leeftijdsgroep: een groep jonge lezers (jonger dan 16 jaar) en een groep volwassen lezers (ouder dan 16 jaar).</></>
In tegenstelling tot visuele verwerking, waarbij simultane en parallelle peceptie van tekst mogelijk is, biedtde tactiele leesmodaliteit de informatie opeenvolgend aan en legt een sequentiële wijze van lezen op. Aangezien de vingertoppen opeenvolgend alle lettertekens op een lijn moeten afgaan, is braille lezen wellicht vergelijkbaar met de grafo-fonologische strategie (letter per letter decoderend), prominent aanwezig bij jonge en onervaren lezers van geschreven tekst. Waar de ziende populatie een directe orthografische route toepast om frequente of onregelmatige woorden te lezen, en een indirecte grafo-fonologische route om niet-frequente of pseudowoorden te ontcijferen, zulen braillelezers volgens onze hypothese steeds de grafo-fonologische route gebruiken. Daarom werden woorden, pseudowoorden en verhalen voorgelegd aan de deelnemers, waarbij correctheid en snelheid in alle condities werd gemeten. Indien blinde lezers voortdurend moeten decoderen, zou een efffectief gebruik van verscheidene fonologische verwerkingsvaardighedenvereist zijn tijdens het leesproces. Om deze fonologische verwerkingsvaardigheden te meten, namen we instrumenten af die het fonologische bewustzijn meten (foneemdeletie en spoonerisme), evenals het verbale kortetermijngeheugen (digit span en non-woord repetitie) en tests die de snelheid van het ophalen van lexicale informatie meten, i.e. snelle automatische benoeming (RAN digits en RAN letters). Auditieve temporele verwerking wordt verondersteld een cruciale impact te hebben op de ontwikkeling vanadequate fonologische representaties van spraakklanken. Tot heden werd de relatie tussen auditieve verwerking en braille lezen nog niet onderzocht. Met inachtname van de voorgestelde associatie tussen auditieve verwerking, spraakperceptie, en de kwaliteit van fonologische representaties, en gegeven de hypothese dat fonologische verwerking een belangrijke rol speelt bij braille lezen, werden zowel auditieve temporele verwerkingstaken als spraakperceptietaken afgenomen. Auditieve temporele verwerkingwerd gemeten met een frequentiemodulatie detectietest, en spraakperceptie via de woord-in-ruis en zin-in-ruis perceptietesten. Een specifiek aspect met betrekking tot braille lezen is tactiele spatiale acuïteit, welke een essentiële rol speelt in de correcte identificatie van de relatieve spatiale positie van de punten in de braille tekens. Om tactiele spatiale acuïteit te meten, werd in deze studie een oriëntatietaak met groeven afgenomen.</></>
De resultaten van deze studie tonen aan dat de sequentiële aard van braille lezen wel degelijk een voortdurend decoderen oplegt en het effectief aanwenden van fonologische vaardigheden gedurende het leesproces vereist. Naast een significant effect van de lengte vande items (i.e. de leestijd verhoogt wanneer het aantal lettergrepen vaneen woord toeneemt) bij de leessnelheid van zowel woorden als pseudowoorden, waren fonologisch bewustzijn en verbaal kortermijngeheugen substantieel gecorreleerd met alle accuratessematen in zowel de Nederlandstalige als Estse groepen braillelezers. In de controlegroep daarentegen was de lengte van de items enkel gerelateerd aan snelheid bij de pseudowoorden, wat op zijn beurt correleerde met fonologisch bewustzijn. Dit ondersteunt dat ziende lezers van geschreven tekst afwisselen tussen het gebruik van grafo-fonologische en orthografische modaliteiten, afhankelijk vande bekendheid, lengte en structuur van de woorden. Hoewel braillelezerseven goed presteerden als lezers van geschreven tekst op tests voor spraakperceptie, vertoonden ze een trend tot betere prestaties op de auditieve FM-detectietaak. Verder correleerden FM-detectie en spraakperceptie niet alleen met fonologische verwerkingsmaten bij braillelezers, maar waren deze ook direct gerelateerd aan hun leesprestatie. Bij de groep ziende lezers van geschreven tekst daarentegen, werd geen directe associatiegevonden tussen leesvaardigheid enerzijds, en auditieve en spraakverwerking anderzijds. Tactiele spatiale acuïteit correleerde significant met zowel leesaccuraatheid als snelheid bij braille. Tot besluit kan gesteld worden dat zowel een hoog ontwikkeld fonologisch bewustzijn en verbaalkortetermijngeheugen, gesterkt door capaciteiten m.b.t. auditieve verwerking en spraakperceptie, samen met adequate tactiele spatiale acuïteit,het prestatieniveau bepalen bij braille lezen. </></></>
Datum:1 okt 2008 →  30 sep 2012
Trefwoorden:Braille, Neuropsychology, Temporal processing, Dyslexia
Disciplines:Orthopedagogiek en onderwijs voor specifieke onderwijsbehoeften
Project type:PhD project