< Terug naar vorige pagina

Project

Wachten en praten: Talen en interacties tussen onbekenden in de wachtkamers van dokters

Mijn doctoraatsthesis onderzoekt de spontane interacties die zich voordoen in semi-publieke ruimtes van meertalige gebieden, meer bepaald in de wachtkamers van artsen. Aan de hand van video- en audio-opnames gaat mijn onderzoek in op een fenomeen dat zowel sociologisch als taalkundig interessant is, namelijk 'wachten'. Personen die een wachtkamer binnenkomen, bevinden zich incidenteel in co-aanwezigheid met andere, meestal onbekende mensen, met wie ze kunnen kiezen om te praten. ‘Wachten' is dus een sociale, intersubjectieve ervaring: hoe komen mensen binnen in een wachtkamer en bewonen ze die? Hoe creëren ze orde in een schijnbaar ongeorganiseerde wachtruimte? In veel gevallen gaan onbekenden die aan het wachten zijn met elkaar in gesprek: hoe doen ze dat? En hoe kiezen en onderhandelen ze over de taal of talen van de interactie? Ik zal deze vragen behandelen vanuit de etnomethodologie (Garfinkel, 1967), de conversatieanalyse (Sacks, 1992; Sacks, Schegloff & Jefferson, 1974), de interactionele taalkunde (Selting & Couper-Kuhlen, 2001; Couper-Kuhlen & Selting, 2018) en de multimodale interactieanalyse (Mondada, 2018a). 

Vooral in service settings organiseren wachtende personen zich in 'wachtrijen'. Voor Garfinkel (2002) en Garfinkel en Livingston (2003) tonen 'wachtrijen' de lokale productie van sociale orde aan, en tonen de wachtende individuen een ‘zichtbare orderlijkheid' (witnessable orderliness) van de volgorde van de dienstverlening. Met betrekking tot hetzelfde fenomeen identificeert Goffman (1971) ‘de sociale organisatie van het samenwachten’ in mede-aanwezigheid met onbekenden, en onderzoekt daarmee situationele en egocentrische territorialiteit. In een recente studie over 'wachten' biedt Ayaß (2020) een etnomethodologische reflectie van hoe mensen 'wachten' in een stedelijke omgeving en onderzoekt ze enerzijds hoe individuen hun 'wachten' laten zien en anderzijds hoe mede-aanwezige personen erin slagen om hen te categoriseren als 'wachtende' mensen. Een van de doelstellingen van mijn onderzoek is te begrijpen hoe 'wachten' in deze specifieke setting wordt bereikt. Ik bekijk eerst hoe individuen een wachtkamer binnenkomen en hoe ze zich integreren in de groep van 'mede-wachtenden'. Vaak zullen ze een korte groet doen aan de mede-wachtenden, waarbij ze overigens een taalmonster (language sample) aanbieden (Mondada, 2018b). Vervolgens onderzoek ik de praktijken die zij inzetten om een niet overduidelijk zichtbare wachtrij te vormen, waarbij ze de volgorde van de dienstverlening vastleggen. Tot slot besteed ik een substantieel deel van mijn scriptie aan de analyse van de taalkundige en belichaamde praktijken die individuen hanteren bij het voeren van een gesprek met onbekenden en aan de manieren waarop de gesprekspartners onderhandelen over de taal of talen van de ontmoeting. 

De studie draagt bij aan conversatieanalytisch onderzoek over 'openingen' (Schegloff, 1968, 1986), waarbij een complexe casus wordt gedocumenteerd waarin de overgang van ongefocuste naar gefocuste interactie (Goffman, 1963) hand in hand gaat met de progressieve transformatie van het participatiekader (participation framework, Goffman, 1981; De Stefani & Mondada, 2018).

Tot nu toe is de studie gebaseerd op 7 uur aan video-opnames die ik heb verzameld in de regio Friuli Venezia Giulia (Italië), waar Italiaans en Friulisch worden gesproken. 228 personen werden gefilmd, van wie er 18 als koppel de kamer binnenkwamen. Het verzamelen van de gegevens zal in gelijkaardige contexten waar meerdere taalvariëteiten worden gesproken (bv. Sicilië), worden voltooid. Vandaar dat mijn scriptie ook een nieuwe kijk biedt op tweetaligheid, een onderwerp dat bij conversatieanalytici nauwelijks aan bod is gekomen (bijv. Gafaranga, 2001).

Datum:1 okt 2019 →  Heden
Trefwoorden:interaction, linguistics, openings, multilingual cities
Disciplines:Linguïstiek niet elders geclassificeerd
Project type:PhD project